HOE ZEG IK 'GOD'?
VGeregeld zijn er ongeregeldheden in kerkelijk Nederland. Pastores halen de krant omdat ze de klokken te vroeg laten luiden, of omdat ze iemand niet willen begraven, of omdat er geen cd’s in een uitvaart gebruikt mogen worden. De lijst kan erg uitgebreid worden. Pas was er nog een hele rel rond deken Frans Verhoeven uit Eindhoven. Mensen hebben in een interview dat bij zijn 40-jarig priesterschap is afgenomen, uitspraken gelezen waaruit zij meenden op te maken dat de deken niet meer geloofde in de werkelijke aanwezigheid van Christus in de eucharistie. Dan raak je een gevoelige snaar, zeker nu er een kruistocht in dit buisdom gehouden wordt om de eucharistie toch nóg meer bron en hoogtepunt te laten zijn van ons geloof.
Wanneer ik de discussie volg woord en wederwoord dan schud ik soms mijn (niet al te) wijze hoofd. Het is vaak een onhandigheid in het woordgebruik. De een wil eerlijk zijn en wil niet meer zeggen dan wat hij nu er over kan zeggen. De ander wil ook eerlijk zijn en voelt zich geroepen om een juiste verwoording af te dwingen. Hij (of zij) realiseert zich dan niet dat ieder taalgebruik, ook het theologische, tijdgebonden is. De formuleringen over de ‘Werkelijke Tegenwoordigheid’ in de eucharistie zijn met name in de dertiende eeuw geformuleerd en men gebruikt toen de filosofie van de Griekse filosofen. Op zich was daar niets mis mee want velen in die tijd deden dit. Vandaag is ons taalgebruik, ook ons theologisch formuleren, bepaald door het denken van onze tijd waarin het gaat over de menselijke existentie, waarin aan het gevoel en aan de menselijke ervaring een grote rol wordt toebedeeld.
Is er dan geen weg dat beide kampen want dat worden het onderhand met elkaar door één deur kunnen? Ik denk het wel (of het gebeurt is een andere zaak…). Wanneer ik zie en hoor hoe politici hun interviews geven dan kan ik daar veel van leren. Zij zijn eerlijk (daar ga ik vanuit) maar zij antwoorden wel op het niveau dat zij zelf aangeven.
Wanneer mij gevraagd zou worden: ‘Geloof je in de werkelijke tegenwoordigheid (de ‘realis praesentia’) van Christus in de eucharistie?’ dan begin ik niet met te vertellen hoe anders ik nu geloof dan vroeger, of dat het voor mij ook niet allemaal duidelijk is. Dat brengt gesprekspartners op dit vlak niet tot elkaar. Ik zal beginnen met klip en klaar te belijden dat ik geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie. Maar ik zal verder gaan. Ik zal vertellen hoe zijn Aanwezigheid ook tot mij komt in het samen lezen van de Schrift, of dat ik zijn Aanwezigheid voel als ik met veel mensen samen aan het bidden ben, of gewoon als ik in een stille ruimte wat bid en mediteer. Er zijn zoveel realiteiten (‘realis’) die van zijn Aanwezigheid (‘praesentia’) getuigen. Op een unieke en onnavolgbare wijze gebeurt dit in de eucharistie en dan groeien we tot datzelfde Lichaam van Christus dat we in de gedaanten van Brood en Beker ontvangen. Augustinus zei het zo krachtig: ‘Ontvangt wat ge zijt: Lichaam van Christus. Wordt wat ge ontvangt: Lichaam van Christus.’
Dit is nog maar één voorbeeld. In onze tijd waarin mensen zo weinig woorden hebben om hun eigen gevoelens en hun eigen mening te verwoorden, moeten we het ook weer helemaal leren als we ‘God’ willen zeggen. Sms, internet, email, verarmen ons taalgebruik. Dat wordt van veel zijden aangegeven. Ook ons taalgebruik rond ‘God’ verarmt. Sommigen grijpen dan naar de oude, zekere woorden van catechismus en gebruiken deze als wapen. Vaak weten deze mensen niet hoe die woorden na veel zoeken en met veel gesprek ontstaan zijn.
De uitdaging vandaag is volgens mij dat we weer zoeken naar hoe oude woorden over ‘God, kerk en wereld’ nieuw kunnen worden. Daarvoor is ontmoeting nodig. Daarvoor hebben we een leerhuis nodig. Daarvoor moeten we omzichtig met de oude woorden omgaan, ook met realis praesentiá’. Ze zijn als een kristal. Ze hebben vele kleuren. je moet ze draaien en draaien, en al die kleuren en al die vlakken, door verschillende mensen opgemerkt, moet je bijeen brengen. Zo wordt ‘God’ gezegd.
Dan licht zijn Aanwezigheid zeker op!
Joost Jansen o.praem

U kunt blijk geven van uw waardering voor Stukwerk door overmaking van een vrijwillige bijdrage op één van
de rekeningen van de
Abdij van Berne te Heeswijk:
Postbank 1082440 of Rabobank 1201.00.908 (vermelding: 'vrijwillige bijdrage')
Voor buitenlandse abonnee's:
Rabobank 12.01.00.908; IBAN: NL64RABO 0120 1009 08; BIC: RABONL2U
|
Alle vorige afleveringen van Stukwerk-online zijn te vinden op
www.abdijvanberne.nl.